Op 12 juli 2005 werd
om 16:32 uur, na veertien en een half uur werken, het warme, naakte lichaam van
onze eerstgeboren zoon op mijn naakte huid neergelegd. Het was dik boven de
dertig graden terwijl ik lag te bevallen, vandaar dat ik zelf ook geen
kledingstuk meer aan had. Overal waar hij lag met zijn 52 centimeter voelde ik. Als vanzelf streelden mijn
handen zijn lijfje. Ik wilde hem aanraken.
Ik wilde hem zien. Ik wilde hem ruiken. Ik wilde hem horen. Al mijn zintuigen
stonden op scherp. Maar ieder jaar als we zijn verjaardag vieren en ik in
gedachten terugga naar de dag waarop hij werd geboren, is mijn gevoelsherinnering de sterkste van allemaal.
Ik ben altijd al een
gevoelig type geweest. Ik uit het niet bij iedereen, maar het is er wel
degelijk. Contacten met vanzelfsprekende aanrakingen
vind ik de fijnste. Een zomaar kus aan of van m’n lief in het voorbijgaan hier
in huis. Arm in arm wandelen met m’n dierbare vriendin. Het op schoot kruipen
van m’n kinderen, soms drie tegelijk! Daar geniet ik van, met volle teugen!
Contacten met minder
vanzelfsprekende aanrakingen vind ik
soms lastig. Er kan zo’n verschil bestaan in de behoefte aan voelen, of lichamelijk contact. De
gebruikelijke drie zoenen bij aankomst of vertrek vind ik prettig als het
wederzijds is. Kussen in de lucht mogen van mij achterwege blijven. Ik wil niet
alleen kussen, ik wil ook gekust worden. Het voelen van een handdruk bij een eerste kennismaking spreekt (voor
mij) ook boekdelen. Hypotheses, veronderstellingen en analyses gaan direct als
een geoliede machine door m’n hoofd. En dan bestaan er mensen met een nog
grotere behoefte aan lichamelijke nabijheid dan ik. Die komen te vaak te
dichtbij, die knuffelen of kussen te hard, die voelen voor mij onnatuurlijk, omdat er geen vanzelfsprekende
afstemming is tussen ons. Dat uit ik niet, maar het is er wel degelijk.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten