06 november 2012

Hoe snel ik kan typen?


Het was in de zomer van 1987. We kampeerden (voor het eerst) met mijn tante in het Lingebos, vlakbij Gorinchem. Tijdens deze vakantie was ik jarig en werd ik dertien. Ik kreeg twee gigantische cadeaus: m’n eerste concertkaartje (David Bowie met ‘The Glass Spider Tour’ in De Kuip in Rotterdam) en een échte typemachine!! Dolgelukkig was ik er mee. Ik typte er op los en speelde dat ik boekhouder, juffrouw of schrijfster was. Dat deed ik al eerder, als ik tijdens vakanties met mijn vader mee mocht naar kantoor en daar dagen zoet kon zijn met typen op een elektrische typemachine. Een zomer later mochten mijn broer en ik kiezen of we op vakantie wilden, of een spelcomputer wilden. We waren unaniem: we kozen de spelcomputer, een Amiga 500. Vanaf dat moment kon ik met Wordperfect aan de slag. Al die tijd typte ik op een manier die ik mezelf aangeleerd had. Weer een jaar later kwam er vanuit school het aanbod om op typeles te gaan. Mijn vriendin Megin en ik gaven ons daarvoor op. Hoe lang die cursus geduurd heeft, kan ik me niet herinneren. Ik herinner me wel dat ik met plezier ging, dat ik het geweldig vond om met tien vingers te leren typen en dat ik mijn diploma haalde met twee negens en een tien (die laatste voor foutloos een tekst overtypen).

Ondertussen ben ik heel wat aanslagen per minuut verder. Ik typ veel en graag. Alle telefoontjes, persoonlijke gesprekken en e-mails moeten op mijn werk worden opgeslagen in een databestand. Ik moet Plannen van Aanpak, evaluaties en strafadviezen schrijven. Sommige collega’s hebben er geen zin in, die gaan liever de hort op dan dat ze achter hun computer kruipen om te typen. Ik niet. Hoewel ik het niet altijd makkelijk vind wát ik moet typen, heb ik aan het typen zelf geen hekel. Sterker nog! Ik zou het mijn hobby kunnen noemen. Voor alle drie m’n zoons houd ik een dagboek bij met allerlei wetenswaardigheidjes. Het brondocument voor mijn blog bevat op dit punt (hier, inclusief het woord hier) 112.288 woorden en 345 bladzijden. Hoeveel letters dat zijn en hoeveel aanslagen dat zijn, dat houdt het programma Word niet bij, maar dat het er ontiegelijk veel zijn, dat moge duidelijk zijn.

Het typen met tien vingers heb ik gaandeweg laten varen. Met mijn linkerhand gebruik ik drie vingers, met mijn rechterhand gebruik ik er twee. Ik kan wel blind typen – ik kijk nauwelijks naar m’n toetsenbord om te zien wat ik doe. Nee. Ik kijk naar m’n scherm en zie wat ik schrijf. Als ik zie dat ik een foutje maak, corrigeer ik dat meteen. Zodoende kunnen er in mijn teksten onbedoeld toch nog foutjes sluipen, omdat ik m’n teksten doorgaans niet meer corrigeer. Ik heb het vertrouwen in m’n kunsten terwijl ik typ en geloof in m’n typevaardigheid. En volgens mij ben ik daarin niet de snelste van iedereen, maar ik ben ook zeker niet langzaam.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten