Er moeten aparte regelingen zijn voor mensen, die op 29 februari geboren zijn. Telt hun geboortedag? Of telt in hun geval het geboortejaar? Het laatste moet het geval zijn. Anders zou mijn tante Janny nu nog steeds niet in een auto mogen rijden, ze had ook nog niet mogen stemmen en ze had geen alcohol mogen kopen zonder legitimatiebewijs. Want vandaag is mijn tante voor de zestiende keer in haar leven echt jarig. Alle andere jaren… was ze dat niet. Gefeliciteerd, tante Janny!!
Als ik op 29 februari geboren zou zijn geweest, dan had ik nu negen keer mijn verjaardag gevierd.
Hoe was ik als negenjarige?
Ik was een kind, geen puber in wording zoals tegenwoordig soms al te ontdekken valt bij negenjarigen. Ik woonde samen met mijn drie jaar jongere broertje en mijn (vrij jonge) ouders in een rijtjeshuis in een kinderrijke buurt. Ik ging van maandag tot en met vrijdag naar school. Ik lag ’s avonds voor acht uur op bed en rond half acht werden we wakker gemaakt voor een schooldag. Ik zat in de vierde klas van de lagere school (tegenwoordig groep 6) en ik kreeg les van meester Boon. De beste man werkt nog steeds in het onderwijs en, hoe bestaat het, hij geeft les op de school van mijn oudste zoon! Meester Boon en mijn zoon kennen elkaar inmiddels en ik heb hem ook als volwassene beter leren kennen door zitting te nemen in de Ouderraad, waar hij ook aan deelnam.
Meester Boon heeft ons in de vierde klas een raket beloofd als we als gehele klas het woord onmiddellijk goed schreven. Ik kan me nog als de dag van gisteren herinneren dat één iemand dat woord fout geschreven had. Hoe gefrustreerd ik me voelde?! Hoe dom ik haar vond?! Het woord was talloze malen geoefend, er was hardop benadrukt “twee d’s, twee l-en” en het dan nog fout doen? Ik voelde het allerlekkerste ijsje van de hele wereld aan mijn neus voorbij gaan. Maar meester Boon was niet flauw. Hij heeft het haar voor het aanzien van de hele klas op het bord nog een keer goed laten schrijven en toen kregen we dat ijsje alsnog! Zal hij dat uit eigen zak betaald hebben? Of bestonden er toen ook al budgetten voor dit soort beloningssystemen? Ik kan het hem nog vragen!
Op zaterdagen gingen wij als gezin naar de stad. Op de fiets. Naar de markt. Ik herinner me dat ik achterop mocht zitten. Niet omdat ik niet goed kon fietsen, maar dat gold wel voor mijn broertje. Waar hij keek, fietste hij ook en hij keek nogal veel om zich heen. Mijn ouders moeten doodsangsten uitgestaan hebben met hem in het verkeer! Bij wie ik achterop zat, wisselde. Het zal om toerbeurt gegaan zijn, wel zo eerlijk. De tocht naar de stad besloeg zo’n slordige zes kilometer. Heen. De fietsen werden altijd op dezelfde plek geparkeerd, wel zo overzichtelijk. We liepen een rondje, mijn ouders wezen de weg en wij volgden. Het meest spannende van dit zaterdagochtendritueel was het antwoord op de vraag of we wel of geen zakje koekkruimels kregen bij de stroopwafelman op de markt. Zo’n zakje kostte 0,25 cent (in het guldentijdperk) en zat barstensvol stukjes koek zonder stroop. De geur van de stroopwafelman heeft me nieuwsgierig gemaakt naar het proeven van zo’n vers gebakken stroopwafel. Toen ik daar door mijn ouders een keer op getrakteerd werd, ontdekte ik dat ik de droge koude koekkruimels verkoos boven de warme stroperige stroopwafel. Het was het toetje van de ronde door de stad. Daarna werden de fietsen weer opgezocht en gingen we zo’n slordige zes kilometer terug.
In het jaar dat ik negen was, bestond er een rage. De lolobal. Tegenwoordig is hij weer te zien. Ik kwam hem tijdens een familieweekend tegen, ging er op staan en bewoog een aantal keren “lolo”. Aan mijn bekkenbodemspieren kon ik voelen dat ik geen negen meer was en inmiddels drie kinderen ter wereld had gebracht! Als kind kon ik het urenlang volhouden. Buiten. Voor de deur. Ermee stuiteren naar het plein en weer terug. De beweging an sich was niet moeilijk. Gewoon een kwestie van evenwicht en dat zat bij mij wel goed. Stelten lopen kon ik ook. Of balanceren op de balk bij het turnen. De rage moet zijn veroorzaakt door de verschillende kleurencombinaties waar je bij de lolobal uit kon kiezen. Ieder meisje, want het was niet voor jongens, kon zich verlekkeren aan de voor haar mooiste lolobal. Die van mij was geel met zwart, als Maja de Bij, ook een hit toentertijd!
Op zaterdagavond werd er bij ons thuis naar Top Pop gekeken. Wist je dat dit programma het eerste wekelijkse televisieprogramma van Nederland was??! Alle nummer 1 hits uit het jaar 1983 ken ik daardoor. Het meest in het oog springende lied van die lijst (dat ik even heb ‘gegoogled’) vind ik “Hey You The Rocksteady Crew” van de gelijknamige band. Het is namelijk anders dan al het andere, het is vroege hiphop/ rap. Ik kan me herinneren dat mijn vader het niets vond. Hij was meer een liefhebber van David Bowie, Billy Joel en Michael Jackson. De Star Sisters hebben met hun medley ook nog weken op nummer 1 gestaan. Het genre muziek van deze dames vond hij niet bijster, maar naar hen kon hij dan weer beter kijken dan naar Rock Steady Crew.
Onze zondagen stonden in het teken van korfbal. Hoewel ik er nog niet op zat toen ik negen was, gingen mijn moeder, broertje en ik er wel heen als mijn vader ‘thuis’ een wedstrijd moest spelen. Veel van zijn inspanningen zag ik niet. Ik speelde op het grasveld, in de zandbak, met de rekstokken, in de kantine en in de kleedkamers. Samen met mijn broertje en met andere meegebrachte kinderen.
De tijd vliegt…. Zo was ik negen, zo ben ik zevenendertig.
Ik bedacht me dat ik vanaf nu van elke dag iets noteer wat als bijzonder gevoeld heeft. Ik realiseerde me dat er iedere dag wel iets bijzonders gebeurt, maar dat het als ‘gewoon’ wordt weggezet op mijn harde schijf. Zonder tastbare herinneringen worden gebeurtenissen als vanzelf gewoon. Terwijl ze voor mij herleven als ik ze terug kan halen. Het lijkt als zand door m’n vingers te glipppen. Gebeurtenissen. Herinneringen. En dat 365 dagen per jaar. Of 366 dagen, als het een schrikkeljaar is zoals nu.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten