Of ik een dagboekenschrijver ben? Dat het me tot op heden is
gelukt om aan de dagelijkse schrijfopdrachten te voldoen, geeft eigenlijk al
antwoord op de vraag. En trouwe lezers van me hebben ergens tussen dit stuk
tekst en de vorige exemplaren al kunnen lezen dat ik voor alle drie m’n
kinderen dagboeken bijhoud. Dus ja, ik ben een dagboekenschrijver. Toen ik in
de vijfde klas zat (tegenwoordig groep zeven), kreeg ik m’n eerste dagboek. Een
echte, met een slot. Dat het een slot van lik-me-vestje was, die door ieder
nieuwsgierig medemens met een paperclip of zelf enkel en alleen met een harde
ruk opengemaakt kon worden, realiseerde ik me pas later, toen mijn
fantasierijke brein zich meer ontwikkeld had tot een
logisch-kunnen-redeneren-brein. Ik schreef er mijn diepste zieleroerselen in,
zoals mijn verliefdheid op Otto. Ik versierde de bladzijden met tekeningen, met
grote letters, met stickers en met Engelse teksten. Eén die me nog scherp voor
de geest staat is: “I love him, loves he me?”
Tijdens het voortgezet onderwijs groeiden m’n dagboeken uit
tot iets gezamenlijks. Ik schreef met een aantal vriendinnen. We hadden ieder
een schrift, waarin we onze overpeinzingen, gedachten, vooronderstellingen en
twijfels schreven. Na een x-periode ruilden we van schrift en bespraken hetgeen
ons onder ogen gekomen was. Meestal was dat achterhaalde info, want los van al
dat geschrijf zagen we elkaar ook dagelijks. Zij ging verder in ‘mijn’ exemplaar
en ik in het ‘hare’ en na een x-periode ruilden we terug.
Dat was de tijd dat ik urenlang een pen vast kon houden
zonder kramp te krijgen in m’n hand. Tegenwoordig is dat wel andere koek. M’n
handen zijn gewend geraakt aan een toetsenbord.
En erger nog, m’n hersenen zijn gewend geraakt aan de snelheid waarmee
ik heden ten dage allerlei zin en onzin op een beeldscherm weet te produceren.
Daar kan gewoonweg geen geschrijf meer tegenop. Uiteindelijk gaat het –
hopelijk – om de inhoud en voor zover ik dat nu kan beoordelen zit het daarmee
wel snor.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten